Spring naar content

Meer en vaardig bewegen met kleuters: cijfers en inzichten

Als we een ding hebben geleerd over bewegen, dan is het: jong geleerd is oud gedaan. Vanaf hele jonge leeftijd wordt al bepaald hoe goed je later kunt bewegen en hoeveel plezier je daarin hebt. Aan het eind van de kleuterleeftijd zie je namelijk al grote verschillen qua motorische ontwikkeling en beweegplezier. Daar valt dus een hoop te winnen en daar hebben we allemaal een rol in. In dit artikel delen we de laatste cijfers en inzichten over meer en vaardig bewegen met kleuters. 

Bewegen is goed voor de fysieke en mentale gezondheid. Voor allerlei doelgroepen groeit de aandacht en het aanbod, maar kleuters blijken nog vaak een ondergeschoven kindje. Terwijl juist daar veel winst valt te behalen. Het is van cruciaal belang dat kinderen van jongs af aan met plezier, veel en gevarieerd bewegen. Dat stimuleert hun motorische vaardigheden. En goed ontwikkelde motorische vaardigheden zijn doorslaggevend bij deelname aan sport- en spelactiviteiten in de kinderjaren en op latere leeftijd. De mate waarin jonge kinderen bewegen, bepaalt ook hun beweeggedrag in hun verdere leven.

Kleuters en bewegen: de cijfers 

Kinderen vanaf 4 jaar moeten volgens de beweegrichtlijnen elke dag minstens een uur matig intensief bewegen om gezond te blijven. Ook moeten ze drie keer per week spier- en botversterkende oefeningen doen en niet teveel stil zitten. Cijfers laten zien: 

  • Slechts 55,9% van de kleuters voldoet aan de beweegrichtlijnen in 2019[1]
  • Van de kleuters sport 66% wekelijks in 2019, dat is inclusief schoolzwemmen en zwemles[1].
  • Kleuters brengen meer dan zes uur per dag zittend door in 2019[1]
  • Kinderen brengen veel tijd door met media. Zo besteden kinderen van 0 tot en met 6 jaar op een dag gemiddeld anderhalf uur aan verschillende media-activiteiten. Dat overschrijdt de richtlijnen van de World Health Organisation (WHO). Zij adviseren om jonge kinderen tot 2 jaar oud liefst zo weinig mogelijk media te laten gebruiken en kinderen tot 5 jaar maximaal een uur per dag

Tips meer bewegen met kleuters op school

Voor kleuters is het heel belangrijk dat ze goed leren bewegen. En dat leren ze niet alleen in de gymles, maar overal. Ook in de klas en op het schoolplein. Lees de tips van kleuterleerkracht Gineke Muller en lector Mirka Janssen.

Impact coronapandemie op kleuters en bewegen

De coronapandemie liet ook bij kleuters zijn sporen na op het beweeggedrag en motorische ontwikkeling, zoals het Mulier Instituut onderzocht in 2021:

  • Na de eerste lockdown was een groter deel van de basisschoolkinderen motorisch minder vaardig dan kinderen van die leeftijd vóór de lockdown. 
  • Kleuteraanbod op de sportvereniging viel weg en er was geen gymles meer op school.
  • Vooral kleuters scoorden slechter na de lockdown, met name op het onderdeel balanceren. Dit suggereert dat voor het ontwikkelen van balansvaardigheden veel bewegen belangrijk is.

Het belang van motorische vaardigheden bij kleuters

We weten uit onderzoek dat een goede motorische ontwikkeling de basis legt voor een leven lang plezier in sporten en bewegen. Want: kleuters die vaardig zijn in bewegen, bewegen op latere leeftijd ook meer. En andersom: kleuters die niet goed leren bewegen, bewegen later minder. We leggen uit hoe dit precies werkt.

Veel en gevarieerd bewegen is voor jonge kinderen van groot belang voor de fysieke en mentale gezondheid en een goede ontwikkeling. Zo bewegen en sporten kinderen met goed ontwikkelde motorische vaardigheden over het algemeen meer, waardoor ze vaak fitter zijn en nog vaardiger worden. Ze hebben meer plezier in sport en bewegen en minder kans op chronische aandoeningen of overgewicht. Dat werkt ook door als ze ouder zijn, omdat ze vaak ook op oudere leeftijd blijven sporten en bewegen. 

De samenhang tussen vaardigheden en mate van bewegen

Het model van David Stodden laat zien dat de parameters ‘motorische vaardigheid’ en ‘mate van fysieke activiteit’ aan elkaar gerelateerd zijn. Het een beïnvloedt het ander. Daarbij laat het model zien dat deze relatie voor jonge kinderen tot ongeveer 8 jaar, anders is dan voor oudere kinderen:

  • Tot 7-8 jaar wordt de ontwikkeling van motorische vaardigheden gestimuleerd door gevarieerd en voldoende bewegen. Kinderen ontwikkelen hun vaardigheden door te bewegen in een uitdagende en gevarieerde omgeving, waar ze kunnen experimenteren. Het daadwerkelijke niveau van de motorische vaardigheden is dan nog niet belangrijk. 
  • Vanaf 7-8 jaar begint deze relatie om te draaien: de motorische vaardigheden gaan de mate van fysieke activiteit stimuleren. Tussen 9 en 12 jaar zien we dat kinderen die motorisch vaardiger zijn, meer meedoen aan sport- en spelactiviteiten dan kinderen die minder vaardig zijn. 

Het is daarom cruciaal dat kinderen op jonge leeftijd veel en gevarieerd bewegen en hun motorische vaardigheden goed ontwikkelen. Want op latere leeftijd hebben die vaardigheden invloed op hoeveel ze nog meedoen aan sport- en bewegen. En dat werkt hun hele leven verder door. De basisschool is een belangrijke plek voor een positieve sport- en beweegrijke toekomst van ieder kind. Met name door goed en voldoende bewegingsonderwijs wordt de basis gelegd. Lees hier meer over de positieve effecten van meer sport en bewegen op school

Meten van bewegen en motorische vaardigheden

Bij kleuters is het meten van motorische vaardigheden nog lastig vanwege de sprongsgewijze ontwikkeling. Vanaf groep drie kun je een passend meetinstrument inzetten, voor het meten van beweegvaardigheid en motorische ontwikkeling. Hier vind je de handreiking voor scholen voor het kiezen van een passend meetinstrument. Op basis van de uitkomsten kun je voor groepen of specifieke kinderen passend extra beweeg- of zorgaanbod aanbieden. 

Voorbeeld uit onderzoek

Met model van David Stodden stelt dat fysieke activiteit op jonge leeftijd de motorische vaardigheden beïnvloedt, maar dat op latere leeftijd de motorische vaardigheid ook de fysieke activiteit beïnvloedt. Met als groot nadeel: minder vaardige kinderen gaan minder bewegen. Jongeren die als 6-jarigen goede motorische vaardigheden hadden, gaven als 16-jarigen aan nog steeds vaardige bewegers te zijn[3].

De invloed van de sociale omgeving

Nu volgt de vraag: hoe zorgen we er met elkaar voor dat kleuters genoeg bewegen? De sociale omgeving heeft veel invloed op het beweeggedrag van kleuters. Het helpt als we ze vanuit veel verschillende kanten aanmoedigen om te bewegen. 

Ouders en grootouders kunnen thuis meer bewegen met hun (klein)kind, de kinderopvang kan meer activiteiten bewegend aanbieden, de school kan meer beweegmomenten op een dag plannen, gemeenten kunnen zorgen voor meer aantrekkelijke speelplekken, buurtsportcoaches kunnen meer kleuteraanbod organiseren in de wijk en ook sportverenigingen kunnen hun kleuteraanbod uitbreiden. We lichten een paar rollen verder uit.

De rol van de vakdocent

Vanaf 2023 krijgen alle kleuters verplicht twee uur per week gymles van een bevoegde leerkracht. In Nederland krijgen de meeste kleuters gymles van hun groepsleerkracht. Uit onderzoek blijkt dat het voor een goede motorische ontwikkeling bij kleuters een meerwaarde heeft om een vakdocent in te zetten[2]. Iemand die weet welke lessen, oefeningen, methodieken of interventies je moet inzetten om alle motorische vaardigheden aan te leren. Vakdocent lichamelijke opvoeding Theo de Groot, in Rotterdam, deelt zijn visie en tips voor lessen bewegingsonderwijs die aansluiten bij de natuurlijke behoefte van kleuters om te bewegen.

Bekijk hieronder de video van vakleerkracht gym Sander Geurtsen over bewegingsonderwijs specifiek voor kleuters. Hij vertelt hoe hij de grondmotorische vaardigheden aanleert en hoe hij zorgt voor voldoende variatie en differentiatie.

De rol van de groepsleerkracht

Motorische vaardigheden doe je als kleuter niet alleen op in de gymles, maar ook in de klas en op het schoolplein. Veel scholen willen graag meer doen aan beweging, ook voor kleuters. En de Dynamische Schooldag is in opkomst. Bekijk hieronder hoe basisschool De Waterhof in Delft de dynamische schooldag invult.

Op basisschool Columbus in Almere werken de vakdocent en de groepsdocent samen, al vanaf de kleuters. Groepsleerkracht Ilja Wardenaar vertelt hoe dat werkt. “Dezelfde vakleerkracht geeft twee keer per week les aan mijn kleutergroep. Dat is heel waardevol, want ik kan met deze collega overleggen over wat er speelt in mijn groep. Als het gaat om sociale interactie tussen de kleuters, kunnen we samen dingen uitwerken voor in de gymzaal. Na de zomervakantie starten we bijvoorbeeld altijd met een nieuwe groep en de groepsvorming kan verder plaatsvinden in het gymlokaal. We bedenken dan samen welke kinderen we nog even bij elkaar kunnen zetten in een groepje of welk spel we kunnen proberen om nog meer interactie te laten plaatsvinden tussen de kleuters.” 

Ilja legt uit dat  de gymles soms ook een verlengstuk is van de andere lessen: “We hebben laatst het thema piraten afgerond en toen paste de vakdocent een gymles helemaal aan aan het piratenthema. Dan zijn de kinderen extra gemotiveerd om te bewegen. Het is heel leuk om de lessen zo in elkaar over te laten lopen. Voor mij als groepsdocent is het ook fijn om even op afstand de interactie binnen mijn groep te kunnen observeren of juist even een-op-een aandacht te besteden aan een kleuter.”

In de video hieronder vertellen twee groepsleerkrachten van kleuters hoe zij meer bewegen in de klas.

De rol van de buurtsportcoach

In 2021 onderzochten we hoe buurtsportcoaches bewegen met 0- tot 6-jarigen ervaren. De meeste buurtsportcoaches hebben al aanbod voor jonge kinderen. Het overgrote deel daarvan richt zich op kleuters, die de buurtsportcoach bereikt via school en de sportvereniging. 

Buurtsportcoaches bieden vooral sport- en beweeglessen. Ook maken ze ouders en partners bewust van het belang van bewegen voor jonge kinderen en verwijzen ze door naar lokaal aanbod. Leuke voorbeelden van lokale initiatieven zijn:

  • Beweegprogramma bij een speeltuin (gecombineerd met eettips).
  • Buurtsportcoaches wordt soms ingehuurd als vakleerkracht in de kleuterklassen op school.
  • Verzorgen van naschoolse kleuterlessen om doorstroming naar de verenigingen te creëren.

De rol van de buitenschoolse opvang

Veel jonge kinderen brengen regelmatig tijd door op de kinderdagopvang. Kinderopvangorganisaties hebben daarom veel invloed op het beweeggedrag – en daarmee op de ontwikkeling – van jonge kinderen. Veel bewegen en spelen blijken in de praktijk niet altijd vanzelfsprekend. De sociale en fysieke omgeving van de buitenschoolse opvang (bso) daagt kleuters bijvoorbeeld niet altijd genoeg uit tot bewegen. En de beweegrichtlijnen zijn vaak niet opgenomen in het beleid van de opvang. 

Een belangrijke stap om de bso meer beweegstimulerend te maken, is om bewegen vast te leggen in beleid en dat te implementeren binnen de organisatie. En in verschillende studies is geconcludeerd dat het trainen van pedagogisch medewerkers binnen de opvang ook leidt tot verbetering van de hoeveelheid bewegen binnen de opvang. Wil jij meer bewegen op de bso? Bekijk dan deze tips voor beweegbeleid op de bso en dit artikel met praktische beweegtips voor de bso.

Conclusie

Hoe meer bewegen hoe beter! Duidelijk is dat we hier allemaal een rol in kunnen pakken, om ervoor te zorgen dat kleuters de kans krijgen zich te ontwikkelen tot motorisch vaardige mensen, die hun hele leven lang plezier houden in bewegen. 

Meer lezen?