Spring naar content

Groener gras: privaat-publiek onderzoek naar toekomstbestendig natuurgras

4,5% van Nederland bestaat uit grasvelden – meer dan 151.000 hectare. Elk grasveldtype heeft een bepaalde samenstelling en kwaliteiten, gericht op het doel of gebruik. John Verhoeven van Wageningen University & Research (WUR) onderzoekt met zijn team hoe (ingezaaid) gras, met behoud van verschillende functies, kan bijdragen aan de doelen van het klimaatakkoord. In dit artikel vertelt hij daarover. Ernst Bos, lid van de Branchevereniging Sport en Cultuurtechniek (BSNC) en deelnemer in de onderzoeksgroep, deelt zijn ervaringen.

Publiek-private samenwerking

‘Grasvelden, klimaat en biodiversiteit’ is een PPS-onderzoek. Daarbij worden publieke middelen ingezet om maatschappelijke vraagstukken, ingegeven door private partijen, te onderzoeken. Deze PPS is ingegeven door de graszaadsector vanuit de behoefte naar meer wetenschappelijk onderbouwd onderzoek. Dit landelijk onderzoeksprogramma kan een aanzienlijke bijdrage leveren aan de uitdagingen op het gebied van klimaat (hittestress, wateroverlast en watertekort, koolstofvastlegging) en teruglopende biodiversiteit.

De publiek-private samenwerking is tussen het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en een consortium van partijen uit de graszaadveredelingsindustrie (Plantum en haar leden DLF, DSV zaden Nederland BV, Barenbrug en Limagrain), de Branchevereniging Sport en Cultuurtechniek (BSNC) en de Koninklijke Nederlandse Golf Federatie. De uitvoering ligt bij Wageningen Plant Research, Wageningen Environmental Research en Wageningen University. Plantum is penvoerder. Gewasbeschermingsmiddelen zijn in het onderzoeksplan niet meegenomen, omdat er al tal van andere trajecten voor lopen.

WUR, ‘Grasvelden, klimaat en biodiversiteit’

Eerste onderzoeksjaar

Het onderzoek is uitgesplitst naar vier werkpakketten: klimaat en water (tekort/overschot), klimaat en temperatuur, koolstofvastlegging van grasvelden en biodiversiteit. Het team voor elk werkpakket bestaat uit 1 à 2 onderzoekers, met 2 à 3 partners, want niet alleen de opzet, maar ook het proces van het onderzoek wordt gedeeld met de private partners. Er is sprake van een continue uitwisseling.

In de eerste fase is uitgebreid literatuuronderzoek gedaan: wat is er, wat weten we al? En wat blijkt: het is een relatief nieuw onderwerp in Nederlands onderzoek. John Verhoeven: “We hebben op vier van de vijf thema’s veel internationale onderzoeken gevonden, uit Amerika en China bijvoorbeeld. Deze zijn maar gedeeltelijk toepasbaar op de Nederlandse situatie want de gebruikte rassen zijn slechts deels representatief voor Nederland.”

Waarde van het veld

Waarom is dit PPS-onderzoek van belang voor de sportsector? “De Green Deal Groene Gewasbeschermingsmiddelen is er al. Beheerders, leveranciers en uitvoerders van grasvelden lopen tegen uitdagingen in de toekomst aan. Zoals kwalitatief goed water dat meer en meer schaars wordt. Ze vragen zich af: hoe en wanneer moeten we beregenen? Hoe kan het met minder? Hoe doen we dit in combinatie met het gebruik, met de sport?”

Verhoeven roept op om te kijken naar het sportveld of sportcomplex in zijn omgeving: wat is de waarde van het veld of complex voor z’n omgeving. Gras geeft verkoeling, het kan koolstof vastleggen. Hoe kan het bijdragen aan de biodiversiteit? Deze maatschappelijke waarde gaat door de onderzoekers gekwantificeerd worden. Met de uitkomsten kunnen zowel de gebruikers van de velden als de omgeving van de sportvelden meer bewust worden gemaakt van wat zij zelf, of dicht bij huis, kunnen bijdragen aan verbeteringen voor ons veranderende klimaat.

‘Dit hebben we nodig om onze grassportvelden gezond, sterk en robuust te houden.’

Ernst Bos van BSNC is betrokken bij twee van de vier werkpakketten: klimaat en water (PPS 1) en klimaat en temperatuur (PPS 2). In dit eerste jaar van deze PPS ‘Grasvelden, klimaat en biodiversiteit’ heeft hij online werkgroepbesprekingen bijgewoond en input geleverd.

Hoe ervaar je de samenwerking tot nu toe?

“Het is erg goed dat dit onderzoek gebeurt. Er is veel onderzocht in de VS en China, maar de resultaten zijn vaak niet een op een toepasbaar in de Nederlandse situatie. Het onderzoek kent een lange aanloop, omdat op de meeste onderwerpen veel literatuur is gevonden. Het is heel goed dat wetenschappers analyseren wat voor ons bruikbaar is. Hoewel we elkaar tot nu toe alleen online hebben ontmoet, vind ik het erg leuk om een bijdrage aan het project te leveren, ook al gaat het veel breder dan sport en golf.“

Wat verwacht je van het onderzoek de komende drie jaar?

Wat ik hoop en verwacht is dat het onderzoek bijdraagt aan het verbreden en vergroten van onze kennis over gras, zodat dat we dit kunnen toepassen op de veranderende Nederlandse situatie. Dat hebben we nodig om onze grassportvelden gezond, sterk en robuust te houden.”

Waarom is het goed dat dit onderzoek gebeurt?

“Ook in Nederland worden wij steeds vaker geconfronteerd met de gevolgen van klimaatverandering. Dat onze zomers warmer worden en dat hitteperioden langer duren heeft grote invloed op onze grassportvelden. Hopelijk leren we uit het onderzoek hoe we daar het beste mee kunnen omgaan.”

Wat is jouw taak binnen de twee werkgroepen?

“Ik reageer op de presentaties van het onderzoek, stel vragen en lever suggesties aan voor literatuurbronnen. Daarnaast gebruik ik mijn netwerk om onderzoekers en beheerders van grasvelden en sportvelden met elkaar in contact te brengen. Bijvoorbeeld voor het zoeken naar een geschikt veld om een onderzoeksopstelling neer te zetten. Het stellen van vragen is in dit stadium echter het belangrijkste. De onderzoeksopzet is breder, maar voor mijzelf en voor de BSNC wil ik er zoveel mogelijk uithalen wat van belang is voor sportvelden en golfbanen.”

Hoe ervaar je de samenwerking in de PPS?

“De samenwerking verloopt plezierig. Ik denk dat we vanuit de BSNC een goede bijdrage kunnen leveren, al is het ene werkpakket voor onze sector interessanter dan het andere. Bijvoorbeeld het onderzoek naar het opslaan van koolstof is maatschappelijk van groot belang. Voor sportvelden is het echter geen grote optie omdat te veel organische stof ten koste gaat van de bespeelbaarheid. De grootste uitdaging voor ons allen is het anticiperen op de klimaatverandering. In mijn advieswerk besteed ik de laatste jaren veel tijd aan het pesticidevrij beheer van sportvelden en golfbanen. Het klimaat heeft veel invloed op de groei en vitaliteit van het gras en op de ontwikkeling van onkruiden, ziekten en plagen. In het belang van de gebruiker moeten we daar zo goed mogelijk mee leren omgaan, zodat de velden het hele seizoen goed bespeelbaar zijn. Door dit onderzoek hoop ik meer te leren over bijvoorbeeld bodemgezondheid, het functioneren van grassen en de invloed van droogte en hitte. Mijn beroepsmatige interesse gaat samen met het belang van BSNC in dit project.”

Welke boodschap heb je voor de branche?

Ernst Bos: “Voor ons is de link tussen grasgroei en temperatuur het belangrijkste. Het is voor Nederlanders een relatief nieuwe situatie: lange hete zomers. Daar moeten we als sportbranche wat mee. Daarnaast kunnen we er niet meer klakkeloos van uitgaan dat je het hele jaar door je sportvelden kunt beregenen. De grasveredelaars hebben hier jaren geleden al goed op geanticipeerd. Daarom zijn er nu betere hitte- en droogtetolerante grassen op de markt en grassen die kiemen bij lage temperaturen. Hierdoor kunnen we het voor- en najaar veel beter benutten, zodat me de zomermaanden wat meer kunnen mijden voor het herstelwerk.”

Wat verwacht je van het onderzoek de komende drie jaar?

Wat ik hoop en verwacht is dat het onderzoek bijdraagt aan het verbreden en vergroten van onze kennis over gras, zodat dat we dit kunnen toepassen op de veranderende Nederlandse situatie. Dat hebben we nodig om onze grassportvelden gezond, sterk en robuust te houden.”

WUR, ‘Grasvelden, klimaat en biodiversiteit’

Vier werkpakketten

‘Klimaat en water(tekort)/overschot’

In het werkpakket ‘klimaat en water(tekort)/overschot’zijn in dit eerste jaar al een paar interessante conclusies getrokken. Bijvoorbeeld dat de ene soort gras (rietzwenkgras en plat beemdgras) beter tegen droogte kan dan een andere soort (veldbeemdgras en Poa supina). Ook blijkt uit de literatuur dat bij droogte een beregening van 50-80% van de verdamping voldoet, en dat het beter is om niet al te frequent te beregenen (twee keer per week is beter dan meer dan drie keer per week). Te frequent beregenen bevordert de vestiging of uitbreiding van minder gewenste grassoorten zoals straatgras. Subirrigatie, water toedienen aan de onderkant van het gras, is beter dan beregenen vanaf de bovenkant.

Omdat in de literatuur weinig aandacht is voor onderzoek op gevestigde zode en naar beheer, gaat het werkpakket zowel meten als een plan ontwikkelen voor proefvelden. Deze velden worden uitgezet bij beheerders van gras of de onderzoekers leggen zelf een proefveld aan.

De andere kant van het spectrum, ‘klimaat en water(overlast)’ is geparkeerd, de andere uitdagingen hebben voorrang gekregen.

‘Klimaat en temperatuur’

Een belangrijk aandachtspunt van het klimaat is dat we ook in Nederland sinds een paar jaar langere warmere zomers kennen. En de verwachting is dat dit doorzet. In het werkpakket ‘klimaat en temperatuur’ worden verschillende aspecten van temperatuur onderzocht. Gras dat frisgroen is, voelt koeler aan dan geel gras. In de hete zomers is het dus zaak om de grasvelden groen te houden. Hoe? Dat is zoeken naar de juiste grassoorten, de vereiste lengte van het gras, eisen aan de omgeving (ook bomen geven verkoeling). De uitdaging is: hoe kunnen we met aanleg, met inzaaien van diverse soorten gras verkoelend effect bereiken in en om stedelijke gebieden, zonder dat er extra beregening moet plaatsvinden. In vervolg op het literatuuronderzoek worden veldmetingen uitgevoerd die samen met de leerstoelgroep Meteorologie en Luchtkwaliteit van WUR in een model worden verwerkt. Deze kan straks worden toegepast door de groenbeheerder en door ontwerpers stedelijk groen.

‘Koolstofvastlegging van grasvelden’

Met het derde werkpakket ‘koolstofvastlegging van grasvelden’ wordt gekeken naar het vasthouden van koolstof door grasvelden. Hiermee wordt immers CO2-uitstoot verminderd. John Verhoeven: “We weten al uit de literatuur dat er een toename is van vastlegging, de schatting is dat in 30-45 jaar een optimum is bereikt. Hoe stimuleren we deze vastlegging op de grasvelden?” Hij vervolgt: “Als gras meer groeit, wordt meer koolstof vastgelegd. Het zit ’m vooral in de viltlaag waarin koolstof wordt vastgelegd. Hoe werkt dat precies? Hoe kunnen we meer koolstof dieper vastleggen, wat beter is? Wat is het verschil tussen grassoorten en kruiden? Een mogelijkheid is om graszaad te mixen met andere kruiden, maar dit gaat niet op voor sportvelden, wel voor bijvoorbeeld grasvelden in het park. De komende jaar gaan we meten hoeveel koolstof in welke laag wordt vastgelegd en hoe de vastlegging verhoogd kan worden.”

‘Biodiversiteit’

Voor het werkpakket ‘biodiversiteit’ is gekozen voor een andere aanpak. Dit onderwerp staat al langer op agenda, er is al meer over bekend. De onderzoekers gaan kijken naar gemeenten (bijvoorbeeld parken en voetbalparken) en golfclubs die al activiteiten hebben ondernomen op dit onderwerp: wat doen ze, waarom doen ze het en hoe doen ze het? Daarna kijken ze hoe gemeenten en golfclubs de biodiversiteit kunnen verhogen.

Dit artikel verscheen eerder in het E-magazine van de Nationale Sport Vakbeurs.