Spring naar content

Grotere kans op blessures na piek in trainingsbelasting

Sporters die plotseling veel meer gaan trainen moeten rekening houden met een verhoogde kans op blessures. Tot vier weken na een snelle toename in de trainingsbelasting hebben ze nog steeds een verhoogd risico om geblesseerd te raken. Het is dus belangrijk om de trainingsbelasting rustig op te bouwen om blessurekansen te verkleinen.

De link tussen een hoge trainingsbelasting en een grotere kans op blessures is snel gelegd. Maar hoe hard en hoe vaak moet een sporter trainen om een verhoogd risico te hebben? Is dit bijvoorbeeld als een sporter continu een hoge trainingsbelasting ondergaat of wanneer er pieken zijn in de trainingsbelasting? Australische onderzoekers, Drew en Finch, hebben een overzicht gemaakt van de beschikbare literatuur over de invloed van trainingsbelasting op het blessure-risico bij verschillende sporten zoals voetbal, volleybal en hardlopen.

Kans op blessures

Een acute piek in de trainingsbelasting van een sporter is geassocieerd met een grotere kans op blessures. De piek is daarbij relatief gezien ten opzichte van de gemiddelde trainingsbelasting van een sporter. Daarentegen blijkt dat de kans op blessures afneemt als sporters structureel een matige trainingsbelasting hebben. Daarom stellen Drew en Finch voor om gebruik te maken van de ratio tussen acute en structurele trainingsbelasting. Dit is uit te rekenen door de gemiddelde dagelijkse trainingsbelasting van de afgelopen zeven dagen (acuut) te delen door de gemiddelde dagelijkse trainingsbelasting van de afgelopen 28 dagen (structureel). Als de acute trainingsbelasting twee maal zo hoog is als de structurele belasting blijkt de kans op blessures meer dan drie keer zo groot. Het is dus belangrijk om de trainingsbelasting rustig op te bouwen om blessures te voorkomen.

Trainingsbelasting

De auteurs raden teamsporters aan om hun trainingsbelasting te monitoren aan de hand van de mate van ervaren inspanning die een sporter na iedere training aangeeft op een schaal van 1 (rust) tot 10 (maximale inspanning). Dit getal, vermenigvuldigd met de duur van de training in minuten, geeft een indicatie van de interne trainingsbelasting. Deze methode is ook wel de Foster-methode genoemd [1].

Ook duursporters kunnen de Foster-methode gebruiken. Daarbij kunnen duursporters hun interne trainingsbelasting ook bijhouden door bijvoorbeeld de gemiddelde hartfrequentie van een training te vermenigvuldigen met de duur van de training.

Voor sporters die veel werpen, zoals speerwerpers en honkballers, raden de auteurs aan om het aantal worpen te gebruiken om trainingsbelasting te bepalen.

Langetermijneffect

Sporters lopen niet alleen direct na een piek in trainingsbelasting een hoger risico op blessures. Ze lopen zelfs minstens vier weken daarna nog een verhoogd risico. Het is dus van belang om de trainingsbelasting rustig op de bouwen om daarmee de kans op blessures te verkleinen. Dit zou kunnen door bij bijvoorbeeld intensieve trainingen de duur en/of de herhalingen te beperken.

Bron

  1. Foster C, Florhaug JA, Franklin J, Gottschall L, Hrovatin LA, Parker S, Doleshal P, Dodge C (2001) A new approach to monitoring exercise training. J. Strength Cond. Res. 15: 109–115