Spring naar content

Vraag anaerobic speed reserve

Nu “high-intensity interval training” (HIIT) steeds vaker wordt toegepast, ontstaat er behoefte om de intensiteit te kunnen doseren. Eén van de methoden die men daarbij zou kunnen hanteren, is gebaseerd op de anaerobic speed reserve (ASR). Voor hardlopers is de ASR het verschil tussen de loopsnelheid bij het bereiken van de maximale zuurstofopname (vVO2max) en de maximale sprintsnelheid. Oftewel, een loper die zijn vVO2max bereikt op 18 kilometer per uur, maar tijdens een sprint een snelheid van 32 kilometer per uur haalt, heeft een ASR die loopt van 18 tot 32 kilometer per uur. Op basis van de ASR zou in theorie een trainingsprogramma op individuele basis gemaakt kunnen worden.

Vooralsnog is er echter onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing die het inzetten van de ASR voor de individualisering van trainingen rechtvaardigt. De ASR is een relatief nieuw begrip en er is nog maar weinig onderzoek naar gedaan.

Wat is de ASR?

De ASR is gedefinieerd als het verschil tussen de maximale snelheid die een atleet kan halen en de loopsnelheid die behoort bij zijn of haar VO2max. Deze laatste snelheid wordt in de literatuur aangeduid met vVO2max.

Het lichaam heeft verschillende manieren om energie vrij te maken. Grofweg zijn er twee systemen; het anaerobe en het aerobe systeem. Het eerste systeem heeft geen zuurstof nodig om energie vrij te maken, maar heeft een redelijk beperkte capaciteit. Het tweede systeem heeft wel zuurstof nodig en kan een stuk langer energie leveren.

Een atleet die op nul procent van zijn ASR loopt, dus op zijn vVO2max, gebruikt zijn aerobe systeem maximaal en zijn anaerobe systeem slechts ten dele. Een atleet die op 100 procent van zijn ASR loopt, dus op zijn maximale sprintsnelheid, gebruikt zowel zijn aerobe als anaerobe systeem maximaal. De ASR is dus eigenlijk een maat voor de snelheidstoename die een atleet kan behalen, bovenop zijn vVO2max, door extra anaerobe verbranding.

Bij eenzelfde vVO2max kan de maximale snelheid tussen sporters verschillen. De ASR kan daarom gebruikt worden om aan te geven hoe zwaar het voor een loper is om op een bepaalde snelheid boven zijn vVO2max te lopen. Hiermee zou de ASR, in theorie, kunnen helpen bij het individualiseren van trainingen.

Geen bewijs

Ondanks dat de theorie van de ASR plausibel klinkt, is er vooralsnog geen enkel bewijs dat, en hoe, de ASR gebruikt kan worden voor het individualiseren van trainingen.

Toch zijn er wetenschappers die hierin geloven [3,4]. Als argument gebruiken zij onder andere dat de tijd totdat een atleet uitgeput is, wanneer hij op hoge snelheid loopt (120-140% van vVO2max), meer samenhangt met het percentage van zijn ASR dan met het percentage van zijn vVO2max [1,3]. Bovendien kan men met behulp van het percentage van de ASR waarop een atleet loopt, heel goed voorspellen welke tijd een atleet op een bepaalde afstand neer zal zetten[3,5,6].

Hieruit concluderen Bucheit en zijn collega’s dat het percentage van de ASR waarschijnlijk een betere maat is voor de zwaarte van een training van een individu, dan het percentage van de vVO2max. Zij pleiten er daarom voor dat voor het individualiseren van een training niet alleen naar de vVO2max gekeken moet worden, maar ook naar de maximale sprintsnelheid (en daarmee de ASR)[3].

Onderzoeker Daniel Boullosa vindt deze conclusie te kort door de bocht en stelt dat bovenstaande argumenten niks zeggen over de toepassing van de ASR voor het individualiseren van trainingen [2]. Het feit dat de tijd op een bepaalde afstand aan de hand van de ASR nauwkeurig voorspeld kan worden, betekent volgens hem niet zondermeer dat de ASR gebruikt kan worden voor het individualiseren van een training. De grootte van de ASR wordt bepaald door je trainingsdoelen, zo zegt hij, waarbij de vVO2max en de maximale sprintsnelheid twee losse componenten zijn. Middellange afstandslopers en triatleten hebben bijvoorbeeld beiden baat bij een hoge vVO2max. De middellange afstandsloper zou daarnaast zijn maximale sprintsnelheid moeten verhogen. Als gevolg hiervan heeft de middellange afstandsloper dus een grotere ASR. Dat met behulp van de ASR wordt voorspeld dat de middellange afstandsloper op een bepaalde afstand beter presteert dan de triatleet, is enkel het gevolg van zijn trainingsdoelen, namelijk een hoge vVO2max én een hoge maximale sprintsnelheid. Het rechtvaardigt het toepassen van de ASR voor het individualiseren van een training niet, aldus Boullosa.

Daarnaast is de bepaling van de vVO2max vrij onnauwkeurig [2]. Door het gebruik van verschillende protocollen bij deze bepaling kan de VO2max aanzienlijk hoger of lager uitvallen. Dit betekent dat twee VO2max-metingen van één atleet meer van elkaar kunnen verschillen, dan twee metingen van verschillende atleten. Dit maakt de bepaling van de ASR onnauwkeurig en daarmee moeilijk in te zetten voor het individualiseren van trainingen. Om deze onnauwkeurigheid te minimaliseren, zal in ieder geval voor alle VO2max-metingen hetzelfde belastings- en testprotocol gebruikt moeten worden.

De bepaling van de maximale snelheid is een stuk nauwkeuriger en wordt doorgaans gemeten op een lopende band. De snelheid die een atleet in zeven tot acht passen realiseert en volhoudt, wordt doorgaans gezien als de maximale snelheid [6]. Van honderd meter sprinters is echter bekend dat zij pas na vijftig tot zestig meter hun maximale snelheid halen. Hierdoor rijst de vraag of acht passen wel voldoende zijn om de maximale snelheid te bepalen.

Conclusie

Voor het toepassen van de ASR-methode voor de individualisering van training is tot nu toe geen bewijs. Ondanks het verschil in mening tussen de wetenschappers over wat de huidige kennis betekent, zijn ze het over één ding eens: er moet meer onderzoek gedaan worden naar de toepassing van de ASR in de individualisatie van trainingen. De toekomst zal dus uit moeten wijzen of de ASR een geschikt middel is om trainingen te individualiseren.

Bronnen

  1. Blondel N, Berthoin S, Billat V, Lensel G (2001). Relationship between run times to exhaustion at 90, 100, 120, and 140% of vVO2max and velocity expressed relatively to critical velocity and maximal velocity. Int. J. Sports Med., 22:27–33
  2. Boullosa DA. (2014). The forgotten pieces of the high-intensity interval training puzzle. Sports Med.,44:1169-70
  3. Buchheit M, Laursen PB (2013). High-intensity interval training, solutions to the programming puzzle: Part I: cardiopulmonary emphasis. Sports Med., 43:313-38
  4. Buchheit M, Laursen PB (2014). Dr. Boullosa’s forgotten pieces don’t fit the puzzle. Sports Med., 44:1171-5
  5. Bundle MW, Hoyt RW, Weyand PG (2003). High-speed running performance: a new approach to assessment and prediction. J. Appl. Physiol., 95: 1955–1962
  6. Weyand PG, Bundle MW (2005). Energetics of high-speed running: integrating classical theory and contemporary observations. Am. J. Physiol. Regul. Integr. Comp. Physiol., 288: R956–R965