Spring naar content

Vraag arousal

Meestal bedoelt men met “arousal” een staat van lichamelijke en psychische alertheid en spanning. Iedere sporter heeft een optimaal niveau van “arousal” (ook wel IZOF genoemd). Een hoge mate van arousal heeft voor de ene sporter niet hetzelfde effect op de sportprestatie als voor een ander. Ook kunnen de gevolgen van arousal verschillen tussen mensen: de één krijgt trillende handen, de ander voelt zich alert. Voor de sportprestatie maakt het veel uit of de sporter de gevoelens van arousal die hij heeft als positief of als negatief beschouwt. Als een sporter zich in zijn IZOF bevindt, heeft dit een positief effect op de sportprestatie. De sporter heeft dan een optimale concentratie, coördinatie en kracht. Een negatieve interpretatie van arousal en twijfel aan de eigen vaardigheden zijn echter slecht voor de sportprestatie.

Wat is arousal?

De definitie van het begrip arousal is ingewikkeld. Arousal is volgens de meeste onderzoekers een term voor fysiologische en psychologische activatie [1]. De mate van arousal kan variëren van zeer laag (slaperig of sloom) tot zeer hoog (maximale opwinding) [2]. De fysieke activatie bij een hoge mate van arousal gaat gepaard aan een hogere spierspanning en spieractiviteit, een hogere hart- en ademfrequentie en de verhoging van bepaalde hormonen zoals adrenaline, noradrenaline en cortisol. De activatie kan plaatsvinden in voor de persoon positieve en negatieve situaties [6], zoals een leuk spel, sport, of angst. De mate van arousal bij een bepaalde gebeurtenis en de precieze fysieke en psychische verschijnselen verschillen van persoon tot persoon. Sommige sporters hebben een zeer verhoogde hartfrequentie of zweetproductie, andere sporters hebben vlinders in hun buik, een droge mond of gevoelens van angst.

Wat is het effect van arousal op de sportprestatie?

De mate van arousal kan leiden tot meer spierkracht [10] en voldoende arousal is dus nuttig bij een sportprestatie. Arousal leidt daarnaast tot een verbeterde prestatie bij taken waarbij snelle beslissingen of reacties nodig zijn [7]. Topbasketballers presteerden bijvoorbeeld beter als zij een hoge mate van arousal voelden [10]. Arousal kan echter negatief uitpakken als de sporter de bijbehorende gevoelens als negatief beoordeelt [1]. Basketballers presteerden bijvoorbeeld slechter bij een te hoog niveau van arousal [10]. In een belangrijke wedstrijdsituatie misten zij de basket vaker omdat zij te hard gooiden (dus te veel kracht leverden) [10]. Een te grote mate van arousal kan veroorzaakt worden door bijvoorbeeld onzekerheid, twijfel en pessimisme. Dit leidt tot minder precisie, een verminderde coördinatie, trillingen van de handen en een onprettig gevoel van vlinders in de buik of zelfs buikpijn [4,5]. Dit leidt weer tot slechtere concentratie en coördinatie [9]. Tot slot helpt arousal bij het leren en onthouden van situaties [3,8]. Dit komt door een verbeterde concentratie en het vastleggen van relevante informatie [3]. Hierbij spelen hormonen zoals adrenaline een belangrijke rol [8]. Hoe dit optimale niveau van arousal te bepalen en te manipuleren is, staat beschreven in het antwoord op de vraag: “Is de mate van “arousal” en de hoeveelheid adrenaline in het bloed van sporters aan elkaar gerelateerd en is deze te bepalen tijdens trainingen en wedstrijden? En zijn er manieren om deze te beïnvloeden om de sporter op het gewenste niveau te krijgen?”.

Conclusie

Als een sporter de optimale zone van arousal bereikt, levert hij de best mogelijke sportprestatie. Deze optimale zone is echter voor iedere sporter anders. Vooral de interpretatie van de sporter van de gevoelens van spanning en arousal die hij heeft, bepaalt de sportprestatie.

Bronnen

  1. Arent SM, Landers DM (2003) Arousal, anxiety, and performance: A reexamination of the inverted-U hypothesis. Res. Q. Exerc. Sport, 74:436-444
  2. Bakker FC, Oudejans RRD (2012) Sportpsychologie, Arko Sports Media, Nieuwegein
  3. Joels M, Pu Z, Wiegert O, Melly S. Oitzl MS, Krugers (2006) Learning under stress: how does it work? TRENDS in Cognitive Sciences, 10:152-158
  4. Jokela M, Hanin YL(1999) Does the individual zones of optimal functioning model discriminate between successful and less successful athletes? A meta-analysis. J. Sports Sci., 17:873-887
  5. Kais K, Raudsepp L (2005). Intensity and direction of competitive state anxiety, self-confidence and athletic performance. Kinesiology, 37:13-20
  6. Koolhaas JM, Bartolomucci A, Buwalda B, De Boer SF, Flügge G, Korte SM, … Fuchs E (2011) Stress revisited: a critical evaluation of the stress concept. Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 35:1291-1301
  7. Lambourne K, Tomporowski P (2010) The effect of exercise-induced arousal on cognitive task performance: a meta-regression analysis. Brain research, 1341:12-24
  8. McGaugh JL (2006). Make mild moments memorable: add a little arousal. Trends in cognitive sciences, 10:345-347
  9. McMorris T, Myers S, MacGillivary WW, Sexsmith JR, Fallowfield J, Graydon J, Forster D (1999) Exercise, plasma catecholamine concentrations and decision-making performance of soccer players on a soccer-specific test. J. Sports Sci., 17:667-676
  10. Perkins D, Wilson GV, Kerr JH (2001) The effects of elevated arousal and mood on maximal strength performance in athletes. J. Appl. Sport Psy., 13:239-259